Een grappige Vlaamse sage over een vrouw met een druipneus

Eens waren Onze Lieve Heer en Sint Pieter op reis. Het werd allengskens avond, en als ze nu hier en daar om nachtverblijf gingen verzoeken, weigerde iedereen zulk kaal volkje in huis te nemen. Op den duur mochten zij overnachten bij een brave, eenvoudige huismoeder, die hen zeer vriendelijk ontving. 's Anderendaags stonden de reizigers al heel vroeg gereed, om weer op te kramen en elders goede werken te gaan verrichten. Dan sprak de Heer tot de huismoeder: "Vrouwken, we moeten vertrekken; doch, omdat gij ons in uw huis hebt opgenomen, moogt gij een wens doen, en - zowaar als ik de Heer ben - hij zal vervuld worden. Zeg vrij, wat ge begeert!" Het moedertje dacht dadelijk aan het stukje lijnwaad, dat ze gisteren van de wever thuis had gekregen, en zonder langer te narren, zei ze: "Heer, ik verzoek U, dat het eerste werk, dat ik deze morgen zal beginnen, heel de dag blijve duren." - "Toegestaan," zei Onze Lieve Heer, en Hij vertrok met zijn reisgenoot. Dadelijk zette het vrouwken zich aan het nameten van haar stukje lijnwaad, dat omtrent twaalf ellen lang was, en o, wonder boven wonder, 's avonds te tienen, te elven en te twaalven mat ze nog maar altijd en altijd voort, zodat ze nu honderden ellen bezat. Spoedig kwam dat grote nieuws ter ore van een baatzuchtig wijf uit de buurt, die zonder uitstel haar gelukkige buurvrouw een bezoek ging brengen. "In geval dezelfde mannen nog terugkeren en in Uw huis willen overnachten," zei ze, "gelief hun dan van mijnentwege te zeggen, dat ze ook bij mij logies zullen krijgen, dat ik heel vereerd en blijde zal zijn, hen te mogen ontvangen." En zie nu, enige tijd daarna komen de twee heilige mannen terug in dat dorp. De brave moeder zendt hen echter bij haar gebure en verzekert hun, dat zij daar op een vriendelijk onthaal mogen rekenen. Onze Lieve Heer en Sint Pieter trekken er dan ook heen. 's Morgens stond de Heer aan de huisvrouw dezelfde gunst toe als aan de arme: "Zeg, wat gij tot beloning verlangt, en 't zal u geschonken worden." En zij koos hetzelfde, want ze had een beurs met goud, en wilde die gaan tellen. Het werd haar toegestaan. Nu had het wijf echter een lelijk gebrek... Zij was namelijk altijddurend geplaagd met wat onze boeren een "drupneus" noemen. Geen wonder dan, dat zij bij zichzelf redeneerde en zei: "Eens aan het tellen, jongens, wil ik niet door het allerminste gestoord worden. Als die druppel mij nu maar niet gaat kwellen en mijn tijd roven. Kom, eerst eens ferm gesnoten... dat mijn neuspunt zo droog zij als poer!" En ze haalde haar geperkte rode zakdoek te voorschijn en bracht hem plechtig aan haar dikke gevel. En... rettetet... rettetet... rettetettetet... rettetettetettetettetet ging het, 'rettetet' altijd maar voor zonder rust of duur..; en er was geen staken of tegenhouden aan. Als 't al lang avond was, en negen, en tien, en elf, en twaalf sloeg op de kerk, stond de hebzuchtige daar nog altijd op dezelfde plek, waar ze 's morgens stond, snuitend, wissend, wissend, snuitend. Ja, erger nog, de druppels waren allengskens groter geworden, zodat de keukenvloer eindelijk op een vijver geleek en het water als een beek door het mozegat stroomde. En dat was de oorsprong van de Schelde.

Een Turks raadselsprookje van Nasreddin Hodja

De oude Ahmed was een merkwaardig man, zowel bij zijn leven als na zijn dood. Zijn testament bepaalde, dat zijn beide zoons een race per kameel naar Mekka moesten houden. Al zijn bezittingen zouden gaan naar degene wiens kameel het laatst aankwam. De zoons, die steeds grote eerbied voor hun vader hadden getoond en zeer gehoorzaam waren, deden hun uiterste best om zijn wens uit te voeren, maar ze hadden daarmee de grootste moeite... Elk van hen was er natuurlijk op gebrand de begeerlijke prijs in de wacht te slepen in een eerlijke wedstrijd. Geen van beiden leek dus grote haast te hebben om in Mekka te arriveren. Maar zij wilden ook voldoen aan hun godsdienstige plichten om binnen de vastgestelde tijd in Mekka te zijn voor de jaarlijkse bedevaart. Zij treuzelden, talmden, deden het kalm aan, deden stappen terug, waarbij elk hoopte, dat de ander zich vergissen zou en het eerst in Mekka zou aankomen. De race was al twee weken aan de gang, toen ze afstapten, doodop, hongerig en terneergeslagen, en weenden met de armen om elkaars schouders. Juist op dat moment kwam toevallig Nasreddin Hodja voorbij en hij bleef staan om naar de reden van hun verdriet te vragen. Ze vertelden hun droevig lot, terwijl hij aandachtig toeluisterde. Toen ze klaar waren met hun verhaal, zei hij: "Uw moeilijkheden zijn niet zo groot als u denkt," en hij vertelde hun, hoe zij de wens van hun vader zonder verwijl konden uitvoeren. Zodra Nasreddin uitgesproken was, sprongen de broers op de kamelen en spoedden zich op topsnelheid naar Mekka. Wat had Nasreddin Hodja gezegd waardoor ze voldeden aan hun vaders wens en ook nog op tijd voor de bedevaart waren?

Antwoord: Nasreddin Hodja stelde voor, dat ieder van hen op de kameel van zijn broer wegreed, in plaats van op zijn eigen kameel. Dan moest ieder voor zich proberen zijn eigen kameel het laatst in Mekka te laten aankomen door zijn uiterste best te doen om de kameel van zijn broer er het eerst te laten aankomen.

Een boeddhistisch verhaal met een glimlach

Er waren eens twee broers, zonen van een veerman. Als kind al voeren zij met hun vader heen en weer over de rivier, wanneer hij voorbijgangers overzette. De betaling was maar karig: één dubbeltje per persoon. Het werk was eentonig en weinig geestverheffend: dus besloot de oudste om meer diepgang aan zijn leven te gaan geven. Hij verliet het huisje aan de rivier, zijn ouders en broer en het veerbootje en trad in, in een boeddhistisch monnikenklooster. Na vele jaren van meditatie en zoeken naar het hogere en naar de verborgen krachten in de menselijke geest, gebeurde het dat hij op reis moest naar een ander klooster en onderweg het ouderlijk huis passeerde. Hij klopte aan en na veel hartelijke omhelzingen en vreugdetranen vertelde men elkaar hoe ieders leven tot nu toe verlopen was. Na enige tijd nam de monnik weer afscheid en na alle goede wensen over en weer liepen beide broers naar het veerbootje, de een om over te zetten, de ander om overgezet te worden. De broer-veerman vroeg aan de broer-monnik: "Wat heb je nu eigenlijk in de afgelopen zeven jaar in dat klooster geleerd?" "Ik zal het je laten zien," zei de monnik, en hij daalde af naar de oever van de rivier; over het water liep hij naar de overkant, zwaaide daar nog eenmaal vaarwel en verdween tussen de bomen. "Dan is, wat hij in die zeven jaar in dat klooster geleerd heeft, precies één dubbeltje waard," zei de veerman en ging weer tevreden aan zijn arbeid.

Een grappig Toscaans verhaal over een gewonnen weddenschap

Drie vrienden namen eens hun intrek in een eenzame herberg. Toen ze voor het naar bed gaan afspraken gezamenlijk te ontbijten, zei de waard: "Het spijt me, heren, ik ben door mijn voorraad heen. Ik heb nog wel een stuk brood, een brok Mortadella Bologna en een slok wijn in huis, maar dat zal alleen genoeg zijn voor één van u." De vrienden lieten hun plezier hierdoor niet bederven. Ze. sloten onder elkaar de volgende weddenschap af: wie van hen drieën de volgende ochtend de mooiste of de akeligste droom kon vertellen, die zou het ontbijt winnen. De twee verliezers moesten dan samen de rekening betalen. De waard kreeg hierbij de rol van scheidsrechter toebedeeld. Nog voor het aanbreken van de dag stond een van het drietal op. Hij ging naar de keuken en at met smaak de restjes op die als ontbijt waren bedoeld. Uren later kwamen de vrienden bijeen in de gelagkamer. "Stel je voor," begon de eerste, "ik droomde dat ik in het paradijs was. O, wat een vreugde, wat een verrukking en gelukzaligheid. Geen sterfelijke tong kan zoveel heerlijkheid beschrijven. Kan er een mooiere droom bestaan?" "Wat zijn de zegeningen van de hemel in vergelijking met de verschrikkingen van de hel?" zei de tweede. "Mijn droom bracht me naar het diepste inferno, waar de zielen van de verdoemden tot in alle eeuwigheid gruwelijk jammeren. Ik heb zulke afgrijselijke kwellingen gezien, dat mijn lippen zouden verschrompelen als ik erover zou spreken. Werkelijk, welke droom zou akeliger kunnen zijn?" "Jullie hebben allebei voortreffelijk gesproken," was de reactie van de waard, "de derde zal het bepaald niet gemakkelijk hebben." De man die aan de beurt was liet zich niet in het minst van zijn stuk brengen. "Ik droomde," zo begon hij, "dat jullie allebei waren gestorven. De een ging naar het paradijs en de ander moest naar de hel. Nu weet ieder fatsoenlijk christenmens dat noch van de ene, noch van de andere plek ooit een sterveling is teruggekeerd. Daarom ging ik beneden mijn ontbijt opeten. Jullie hadden het toch niet meer nodig." Daar moesten ze allemaal hartelijk om lachen. Het was duidelijk wie de weddenschap had gewonnen. Zo kon het gebeuren dat twee vrienden met een knorrende maag de rekening betaalden, terwijl de derde verzadigd en tevreden op zijn paard stapte.

Turkse mop over hoe Temel de mensen jagen leert

In een dorp aan de Zwarte Zee woont Temel. Hij is een heel goede jager. Als hij een konijn ziet lopen, legt hij aan en schiet hij altijd raak. Ook andere mensen trekken er op uit om te jagen, maar zij kunnen niets vinden om te schieten. Uiteindelijk gaan ze naar Temel en zeggen tegen hem: "Wij zijn gaan jagen, maar we hebben niets kunnen vinden. Jij bent een goede jager. Jij moet met ons meegaan om ons te helpen." Temel gaat met hen mee en na een tijdje lopen, vinden ze een gat in de grond. Het is een klein hol. Temel zegt: "Nu moeten jullie heel stil zijn, en wachten, want straks komt er een konijn naar buiten." Ze wachten, en na vijf minuten komt er een konijn naar buiten. Ze schieten en... raak. Daarna lopen ze verder. Ze komen aan bij een groter hol. Hier zegt Temel: "Nu moeten jullie weer stil zijn, want straks komt er een vos." Even later verschijnt de vos en ze schieten hem dood. Weer gaan ze verder en ze komen aan bij een nog groter hol. "Hier moeten we wachten," zegt Temel, "want hier woont een beer." Even later verschijnt de beer en de jagers schieten raak. Ze lopen weer verder, en ineens staan ze voor een heel groot hol, en ook hier moeten ze wachten van Temel. De volgende dag staat er in de krant: "Vier mensen onder de trein gekomen."

Een Chakassische volksvertelling over het gezoem van de hommel

Op een keer gaf de zevenkoppige reus Delbegen aan de hommel het volgende bevel: "Steek ieder levend wezen dat je ontmoet, proef van wie het vlees het beste smaakt, en kom me dat vertellen." De hommel gehoorzaamde en vloog over de aarde. Hij stak ieder levend wezen dat hij ontmoette: de hond, de kat, de tijger, het paard, het varken, de haan, de koe, het hert en ook de mens. "Ik proef het al!" zong de hommel. "De mens smaakt het beste. Mensenvlees spant de kroon!" "Alsjeblieft, beste hommel, vertel het niet aan Delbegen," riepen de mensen. "Hij zal ons allemaal verslinden!" Maar de hommel trok zich daar niets van aan en bleef zingen: "Mensenvlees spant de kroon! Mensenvlees spant de kroon!" "Genoeg!" riep de dappere Saartak-Pai. Hij greep de hommel bij zijn vleugels en rukte hem snel zijn tong uit zijn keel. Zonder tong kwam de hommel terug bij de zevenkoppige reus Delbegen. "Van wie heeft het vlees de beste smaak?" brulde de reus. De hommel had zijn tong verloren en kon niets anders uitbrengen dan: -m-m-m-m-m-m-m-m-m-m-m-m-m-m-m!" En tot op de dag van vandaag is daar geen verandering in gekomen. De dode die nog even terug mocht Er was eens een heel rijke man . En die man was, zoals zo vaak het geval is, bovendien een van de allergrootste gierigaards ter wereld. Hij had zijn hele leven niets anders gedaan dan geld opstapelen, steeds meer geld. Zijn leven was als een droom voorbijgegaan, en plotseling stierf hij. Wanneer mensen doodgaan komen zij al lereerst terecht in een gesloten vertrek met twee ramen. vanuit het ene raam kunnen zij het paradijs zien en vanuit het andere de hel. Zij moeten in die ruimte blijven gedurende de tijd die nodig is om over hen te oordelen. Ze dromen dan over het paradijs dat ligt te stralen onder hun ogen en vrezen de hel als hun toekomstig lot. Natuurlijk vinden ze in het vertrek voldoende voorraden om zich te kunnen voeden. want hoewel ze gestorven zijn, zijn ze toch nog te veel met het aardse bestaan verbonden om het zonder eten te kunnen stellen . Maar wat gebeurde er: onze man kwam in een geheel leeg vertrek. Niets lag er, zelfs niet het kleinste kruimeltje brood! Hij riep dan ook een engel en begon te protesteren. waarom kreeg juist hij nu zo"n slechte behandeling? De engel legde hem uit dat het lege vertrek betekende dat hij kortzichtig en zorgeloos was geweest en dat hij zich niet had voorbereid tijdens zijn leven, dat hij geen enkele voorraad had aangelegd om mee te nemen! De oude vrek smeekte de engel om een goed woordje voor hem te doen. Hij vroeg niet meer dan om nog een maandje te leven, een klein maandje maar om zich beter te kunnen voorbereiden. Het was toch ook niet zijn schuld, zei hij. Hij was door niemand gewaarschuwd! De engel sprong voor hem in de bres en hij kreeg nog recht op een hele maand. De vrek kwam dus terug op aarde. Er was niemand die zich over zijn terugkomst verheugde, ook al was het maar voor zo kort, want hij had nog nooit van iemand gehouden en niemand had van hem gehouden. Maar dat kon hem nauwelijks iets schelen. Hij bracht zijn maand door met het klaarmaken, bestellen en opstapelen van alle mogelijke soorten voedsel. Hij zorgde vooral voor hoeveelheden droge koekjes waar hij bijzonder veel van hield. De maand ging snel om, vol koortsachtige bedrijvigheid. Alleen de laatste dag kon de vrek een beetje uitpuffen. Hij had zojuist geweldig gemopperd op zijn dienstbode die een paar koekjes van het laatste baksel had laten verbranden, toen er een bedelaar aan de deur klopte. omdat het zijn laatste dag op aarde was, maakte de gierigaard voor het eerst van zijn leven een groots gebaar: hij gaf de bedelaar een van de verbrande koekjes, terwijl hij zichzelf gelukwenste met zijn gulheid. Daarna vertrok hij opnieuw. Hij kwam weer in de kamer met uitzicht op het paradijs en de hel, stapte bij voorbaat handenwrijvend naar binnen en.. vond het verbrande koekje dat hij aan de bedelaar had gegeven! De vos en de kat- Een fabel van de gebroeders Grimm over hoogmoed Eens op een keer ontmoette de kat in het bos de heer Vos. En daar ze dacht: "Hij is zo slim, heeft ervaring en heeft wat te zeggen in de wereld," sprak ze hem vriendelijk toe. "Goedendag, lieve heer Vos, en hoe gaat het en hoe staat het? Hoe maakt u het in deze dure tijd?" De vos, hoogmoedig, bekeek de kat van top tot teen en wist geruime tijd niet of hij eigenlijk wel antwoord zou geven. Eindelijk zei hij: "Jij armzalige snorrenwasser, jij bontgevlekte zot, jij hongerlijder en muizenjager, wat bezielt je? Durf je te vragen hoe ik het maak? Wat heb je eigenlijk geleerd? Hoeveel kunsten ken je?" - "Ik kan er maar één," antwoordde de poes bescheiden. "Wat is dat dan voor een kunst?" vroeg de vos. "Als de honden achter me aanzitten, dan kan ik een boom in en mezelf redden." - "Is dat alles?" zei de vos, "ik ben honderd kunsten meester en ik heb bovendien nog een zak vol listen. Ik heb met je te doen; kom maar mee, ik zal je eens leren, hoe je de honden ontloopt." Daar kwam een jager aan met vier honden. De kat sprong behendig in een boom, tot in 't topje, waar takken en bladeren haar geheel verborgen. "Doe de zak om, doe de zak om!" riep de kat nog, maar de honden hadden de vos al gegrepen en beten zich vast. "Zeg eens Vos!" riep de kat, "nu blijf je met je honderd kunsten steken. Als je de boom in had gekund zoals ik, dan was het niet om je leven gegaan!" - De fabel van Jean de la Fontaine over de ijdele raaf en slijmbal vos- Meester raaf zat in een eikenboom. Hij klemde in zijn bek een heerlijk brokje kaas uit Gouda. Meester vos, gelokt door deze droom Van geur, keek op en sprak: "Doctor honoris causa, U met uw wijs en alziend oog En met uw glanzend zwarte toog, Als ook uw stemorgaan zo mooi is als uw veren dan moet toch ieder dier u als een feniks eren!" Meester raaf, ontroerd door zoveel eer, Wipte van tak tot tak en boog zich wat naar voren, Keek toen trots over zijn snavel neer Op meester vos en om zijn stem te laten horen Gaapte hij met zijn bek héél wijd. Maar ja, de kaas was hij toen kwijt. Hij hapte er nog naar, keek treurig naar beneden. De vos pakte zijn prooi en fleemde toen tevreden: "Denk eraan, mijn waarde heer, Elke vleier schenkt zijn eer Aan door 't lot verwende vrinden Die zichzelf belangrijk vinden. Deze wijze les, helaas, Kost u wel dit brokje kaas!" Beschaamd verborg de raaf zich in de eikentakken En kraste toen wat laat: "Mij zul je niet meer pakken!" De krekel sjirpte dag en nacht, zo lang het zomer was, Wijl buurvrouw mier bedrijvig op en neer kroop door 't gras "Ik vrolijk je wat op," zei hij. "Kom, luister naar mijn lied." Zij schudde nijdig met haar kop: "Een mier die luiert niet!" Toen na een tijd de vrieswind kwam, hield onze krekel op. Geen larfje of geen sprietje meer: droef schudde hij zijn kop. Doorkoud en hongerig kroop hij naar 't warme mierennest. "Ach, juffrouw mier, geef alsjeblieft wat eten voor de rest Van deze barre winter. Ik betaal met rente terug, Nog vóór augustus, krekelwoord en zweren doe 'k niet vlug!" "Je weet dat ik aan niemand leen," Zei buurvrouw mier toen heel gemeen. "Wat deed je toen de zon nog straalde En ik mijn voorraad binnenhaalde?" "Ik zong voor jou," zei zacht de krekel. "Daaraan heb ik als mier een hekel! Toen zong je en nu ben je arm. Dus dans nu maar, dan krijg je 't warm!"

Wie leeft van kunst gaat door voor gek. Vaak lijdt hij honger en gebrek.

De kikker die even groot als een os wilde zijn- Een fabel van Jean de La Fontaine over waan en nijd Een os stond in de wei te dromen bij een beek En zag hoe daar vlakbij een kikker hem bekeek. Hij was zichtbaar jaloers, niet groter dan een ei, Maar kwaakte kwaad: "Kijk, kijk! 'k Word net zo groot als jij!" De os sloeg met zijn staart en stond zich te verbazen. De kikker rekte zich, begon zich op te blazen. Hij blies en blies, hield zich even in En vroeg: "Is dit geen goed begin? Ben ik op weinig tijd niet reuze aangekomen?" De os zei: "Boe!" En bleef maar voor zich uit staan dromen. De kikker wond zich op, begon met nieuwe moed Hij voelde alles spannen. "Is het nu nog niet goed?" "Boe!" deed de os bedroefd. "Het lijkt er echt niet op. Niet groter dan een pad, maar met een dikke kop!" Nu werd de kikker woest, hij duwde, blies en balde Zijn spieren plots zo hard dat hij aan flarden knalde

De wereld barst van waan en nijd Om wie de snelste auto rijdt Het grootste huis. De verste reis. Ach, is dat allemaal wel wijs?

Hiermee zijn we aan het einde gekomen van deze serie korte verhalen. We hopen dat u het leuk vond en wensen u het allerbeste. B.T.W. wat is het tegenovergestelde van "Epiloog"

Bron-vermelding:

  • Louis
  • korte verhalen
  • "Loesje"
  • Vergelijkingen
  • F A Q